
Onderzoek wijst op risico van exoten bij visuitzettingen
Bij het uitzetten en verplaatsen van vissen in Nederlandse wateren kunnen onbedoeld ook andere planten- en diersoorten worden meegenomen. Uit onderzoek van de NVWA, RAVON en GiMaRIS blijkt dat deze zogenoemde "meelifters" een risico vormen voor de biodiversiteit, vooral wanneer het gaat om uitheemse soorten die zich snel kunnen verspreiden.
In Nederland worden jaarlijks op honderden locaties vissen uitgezet voor onder meer sportvisserij, natuurbeheer en het herstel van vispopulaties. De onderzoekers constateren dat ongewenste soorten vooral worden aangetroffen bij transporten van in het wild gevangen vissen. Bij gecontroleerde kweekvis werden tijdens het onderzoek geen meeliftende exoten gevonden.
Een bekend voorbeeld van een succesvolle meelifter is de blauwband (Pseudorasbora parva). Deze Aziatische vissoort kwam vermoedelijk via vistransporten en uitzettingen in Nederland terecht en heeft zich inmiddels over grote delen van het land verspreid. De blauwband kan inheemse vissoorten verdringen en vormt daarnaast een risico doordat hij ziekteverwekkers kan verspreiden. De soort staat daarom bekend als een van de ongewenste invasieve exoten in Europese wateren.
Tijdens het onderzoek werden ook andere uitheemse soorten aangetroffen die via vistransporten of verplaatsingen mee konden reizen, waaronder kreeftachtigen, waterplanten en vissoorten. Hoewel dergelijke vondsten niet bij iedere uitzetting werden gedaan, verwachten onderzoekers dat het werkelijke aantal gevallen hoger ligt omdat slechts een beperkt deel van alle transporten is onderzocht.
Wanneer een invasieve soort zich eenmaal heeft gevestigd, is verwijdering vaak moeilijk, kostbaar of zelfs onmogelijk. Daarom ligt de nadruk op preventie. De onderzoekers adviseren onder meer:
- Uitsluitend vissen gebruiken van betrouwbare kwekerijen die maatregelen nemen tegen ongewenste soorten.
- Wild gevangen vissen zorgvuldig te controleren voordat zij worden verplaatst of uitgezet.
- Transportwater te filteren en te onderzoeken op ongewenste planten, dieren en andere organismen.
- Zo weinig mogelijk transportwater in nieuwe wateren terecht te laten komen.
- Netten, bakken, laarzen en ander materiaal grondig te reinigen en te ontsmetten tussen werkzaamheden.
- Extra voorzichtig te zijn bij verplaatsingen over grotere afstanden of over barrières zoals sluizen en waterkrachtinstallaties, omdat hierdoor nieuwe gebieden bereikbaar worden voor invasieve soorten.
- Medewerkers en vrijwilligers die betrokken zijn bij visuitzettingen bewust te maken van het risico op meeliftende soorten.
Volgens de onderzoekers kan een zorgvuldige werkwijze veel problemen voorkomen. Door vooraf streng te controleren en hygiënisch te werken, wordt de kans kleiner dat invasieve planten en dieren zich verder verspreiden via visuitzettingen en visverplaatsingen.
